3. The Story
The House of Asterion
by Jorge Luis Borges
And the queen gave birth to a child who was called Asterion.
Apollodorus: Bilbliotheca, III, I
(According to Karl Kerenyi and other scholars, Asterion was in fact the Minotaur (Kerenyi 1951 p 111).)
I know they accuse me of arrogance, and perhaps of misanthropy, and perhaps of madness. Such accusations (for which I shall extract punishment in due time) are derisory. It is true that I never leave my house, but it is also true that its doors (whose number is infinite)[note: The original says fourteen, but there is ample reason to infer that, as used by Asterion, this numeral stands for infinite.] are open day and night to men and to animals as well. Anyone may enter. He will find here no female pomp nor court formality, but he will find quiet and solitude. And he will also find a house like no other on the face of the earth. (There are those who declare there is a similar one in Egypt, but they lie.) Even my detractors admit there is not one single piece of furniture in the house. Another ridiculous falsehood has it that I, Asterion, am a prisoner. Shall I repeat that there are no locked doors, shall I add that there are no locks? Besides, one afternoon I did step into the street, if I returned before night, I did so because of the fear that the faces of the common people inspired in me, faces as discolored and flat as the palm of one’s hand. The sun had already set, but the helpless crying of a child and the rude supplications of the faithful told me I had been recognized. The people prayed, fled, prostrated themselves; some climbed onto the stylobate of the temple of the Axes, others gathered stones. One of them, I believe, hid himself beneath the sea. Not for nothing was my mother a queen; I cannot be confused with the populace, though my modesty might so desire.
The fact is that I am unique. I am not interested in what one man may transmit to other men; like the philosopher, I think that nothing is communicable by the art of writing. Bothersome and trivial details have no place in my spirit, which is prepared for all that is vast and grand; I have never retained the difference between one letter and another. A certain generous impatience has not permitted that I learn to read. Sometimes I deplore this, for the nights and days are long.
Of course, I am not without distractions. Like the ram about to charge, I run through the stone galleries until I fall dizzy to the floor. I crouch in the shadow of a pool or around a corner and pretend I am being followed. There are roofs from which I let myself fall until I am bloody. At any time I can pretend to be asleep, with my eyes closed and my breathing heavy. (Sometimes I really sleep, sometimes the color of day has changed when I open my eyes.) But of all the games, I prefer the one about the other Asterion. I pretend that he comes to visit me and that I show him my house. With great obeisance I say to him: Now we shall return to the first intersection or Now we shall come out into another courtyard or I knew you would like the drain or Now you will see a pool that was filled with sand or You will soon see how the cellar branches out. Sometimes I make a mistake and the two of us laugh heartily.
Not only have I imagined these games, I have also meditated on the house. All the parts of the house are repeated many times, any place is another place. There is no one pool, courtyard, drinking trough, manger; the mangers, drinking troughs, courtyards, pools are fourteen (infinite) in number. The house is the same size as the world; or rather, it is the world. However, by dint of exhausting the courtyards with pools and dusty gray stone galleries I have reached the street and seen the temple of the Axes and the sea. I did not understand this until a night vision revealed to me that the seas and temples are also fourteen (infinite) in number. Everything is repeated many times, fourteen times, but two things in the world seem to be only once; above, the intricate sun; below, Asterion. Perhaps I have created the stars and the sun and this enormous house, but I no longer remember.
Every nine years nine men enter the house so that I may deliver them from evil. I hear their steps or their voices in the depths of the stone galleries and I run joyfully to find them. The ceremony lasts a few minutes. They fall one after another without my having to bloody my hands. They remain where they fell and their bodies help distinguish one gallery from another. I do not know who they are, but I know that one of them prophesied, at the moment of his death, that some day my redeemer would come. Since then my loneliness does not pain me, because I know my redeemer lives and he will finally rise above the dust. If my ear could capture all the sounds of the world, I should hear his steps. I hope he will take me to a place with fewer galleries and fewer doors. What will my redeemer be like?, I ask myself. Will he be a bull or a man? Will he perhaps be a bull with the face of a man? Or will he be like me?
The morning sun reverberated from the bronze sword. There was no longer even a vestige of blood.
“Would you believe it, Ariadne?” said Theseus. “The Minotaur scarcely defended himself.”
(Dutch version:)
Het huis van Asterion
door Jorge Luis Borges
En de koningin schonk het leven aan een zoon die Asterion genoemd werd.
Apollodorus: Bilbliotheca, III, I
(Volgens Karl Kerenyi en andere wetenschappers was Asterion in feite de Minotaurus (Kerenyi 1951 p 111).)
Ik weet dat men mij beschuldigt van hoogmoed, en misschien van mensenhaat, en misschien van krankzinnigheid. Dergelijke beschuldigingen (die te zijner tijd bestraft zullen worden) zijn beláchelijk..
Het is waar dat ik mijn huis nooit uitkom, maar ook is het waar dat de deuren ervan (oneindig in getal)* dag en nacht openstaan voor mensen en ook voor dieren. Laat iedereen die dat wil binnenkomen. Hij zal geen vrouwelijke opschik vinden en ook niet het extravagante vertoon van paleizen, maar wel rust en eenzaamheid. Ook zal hij een huis vinden waarvan er op de aarde geen tweede is. Zij die me in de steek hebben gelaten, geven toe dat er zelfs geen enkel meubelstuk in dit huis is.
Een andere belachelijke bewering is dat ik, Asterion, een gevangene ben. Moet ik dan herhalen dat er geen enkele deur gesloten is? Moet ik er aan toevoegen dat er geen enkel slot is?
Op een middag ben ik eens de straat opgegaan. Vóór de zonsondergang keerde ik al terug omdat de gezichten van de mensen me angst aanjaagden: Kleurloze en vlakke gezichten als de palm van mijn hand. De zon was al ondergegaan maar het hulpeloze gehuil van een kind en de ruwe smeekbeden der gelovigen maakten me duidelijk dat men mij herkend had. De mensen baden, vluchtten of knielden neer. Sommigen klommen op het zuilenplateau van de tempel der Bijlen. Anderen stapelden stenen op. Een enkeling dook onder in zee, geloof ik. Niet voor niets was mijn moeder een koningin; ik kan niet opgaan in het volk, al zou mijn bescheidenheid daarnaar verlangen.
Het punt is dat ik uniek ben. Wat een mens aan andere mensen kan overbrengen interesseert me niet. Net als een filosoof ben ik van mening dat niets mededeelbaar is door de kunst van het schrijven. Er is geen plaats voor vervelende en alledaagse pietluttigheden in mijn geest die immers op het grootse is ingesteld…. Nooit heb ik het verschil tussen de ene en de andere letter kunnen onthouden. Een soort nobel ongeduld heeft me ervan afgehouden te leren lezen. Soms betreur ik dat, want de nachten en de dagen zijn lang.
Natuurlijk ben ik onderhevig aan de verwarring. Net als een ram die aanvalt, hol ik door de stenen galerijen tot ik duizelig op de grond val. Ik houd me dan schuil in de schaduw van een waterbak of in de bocht van een gang en ik speel alsof men mij zoekt. Er zijn terrassen waar ik me vanaf laat vallen, tot bloedens toe. Op elk moment kan ik doen alsof ik slaap, met gesloten ogen en een zware ademhaling. Soms slaap ik werkelijk. Soms is de kleur van het daglicht enkel veranderd wanneer ik mijn ogen weer open.
Maar van alle spelletjes speel ik toch het liefst dat van ‘De Andere Asterion’. Ik doe net of hij me komt opzoeken en dat ik hem mijn huis laat zien. Met overdreven buigingen zeg ik dan: ‘Nu gaan we terug naar het vorig kruispunt’. Of: ‘Nu komen we op een andere binnenplaats uit’ of: ‘Ik zei je toch dat je deze waterpartij leuk zou vinden!’ of: ‘Nu zul je een waterbak zien die gevuld is met zand’ of: ‘Je zult nu zien hoe de kelder zich in tweeën splitst’. Soms vergis ik me en dan moeten we allebei hartelijk lachen.
Ik heb die spelletjes niet alleen verzonnen; ik heb ook over dit huis lang nagedacht: Alle delen van het huis zijn er vele malen. Elke plek is een andere plek. Er is niet één waterbak, één binnenplaats, één drinkplaats, één voerbak…. Er zijn oneindig veel voerbakken, drinkplaatsen, binnenplaatsen en waterbakken. Het huis heeft het formaat van de wereld. Beter gezegd: het ís de wereld!
Door eindeloos binnenplaatsen met waterbakken en stoffige stenen galerijen door te lopen, ben ik uiteindelijk op straat beland en heb ik de Tempel der Bijlen en de oceaan gezien. Dat vond ik vreemd. Totdat een nachtelijk visioen me openbaarde dat er ook oneindig veel oceanen en tempels zijn. Alles is er in oneindige hoeveelheden, maar er zijn slechts twee dingen in de wereld die uniek schijnen te zijn: boven is de verwarrende zon; beneden is Asterion. Misschien heb ik de sterren en de zon en dit enorme huis zèlf geschapen, maar herinner ik me het niet meer.
Elke negen jaar gaan negen mannen mijn huis binnen opdat ik ze van het kwaad kan bevrijden. Ik hoor hun voetstappen of hun stem in de diepte van de stenen gangen. Ik ren ze dan vol blijdschap tegemoet. De ceremonie duurt maar enkele minuten. Ze vallen; de een na de ander, zonder dat mijn handen met bloed besmeurd raken. Waar ze vielen blijven ze liggen en hun lijken maken het eenvoudiger de ene gang van de andere te onderscheiden. Ik weet niet wie ze zijn, maar ooit heeft één van hen in zijn doodsuur me voorspeld dat mijn verlosser op zekere dag zou komen.
Sindsdien doet mijn eenzaamheid me geen verdriet meer, want ik weet dat mijn verlosser leeft en zich uiteindelijk uit het stof zal oprichten. Als mijn oren alle geluiden van de wereld konden vernemen, zou ik zijn voetstappen al kunnen horen. Ik hoop maar dat hij me naar een plaats brengt met minder gangen en minder deuren. Hoe zou mijn verlosser er uitzien? Zou het een stier zijn of een mens? Zou het misschien een stier zijn met het gezicht van een mens? Of zou hij zijn zoals ik?
De ochtendzon werd teruggekaatst in het bronzen zwaard. Er was geen spoor van bloed zichtbaar….
-”Je zult het niet geloven, Ariadne”,-zei Theseus-, “maar de Minotaurus heeft zich nauwelijks verdedigd!”.
* In het origineel staat veertien, maar er zijn meer dan genoeg motieven om aan te nemen dat in de mond van Asterion dit telwoord zoveel als oneindig betekent.

